Interview met Lianne Hoogeveen


interview met lianne hoogeveen


Petje af voor Lianne Hoogeveen die in dit artikel de essentie van hoogbegaafdheid prachtig weergeeft en de behoeften van hoogbegaafden in kaart brengt. We herkennen hierbij exact de gedachtegang waarmee we onze dagbesteding "HBplus" zijn gestart. Wat heeft dit specifieke kind nodig om te floreren, los van alle stigmatisering? Door het inzetten van zowel één lange termijn doel en variabele korte termijn doelen hebben de kinderen hun hoognodige uitgangspunt om naartoe te kunnen werken. Met een grote dosis voortschrijdend inzicht hebben deze kinderen vooral een doel nodig om gemotiveerd te raken/blijven. Het liefst in samenwerking met de school van inschrijving zodat ze in hun eigen omgeving naar school kunnen blijven gaan. Het tot in den treure analyseren of ze al dan niet hoogbegaafd zijn is zonde van de tijd. Laten we met zijn allen vooral direct het kind helpen in plaats van erover te praten. Dank je wel Lianne voor je mooie woorden!

Ontwikkelingspsycholoog Lianne Hoogeveen onderzoekt hoogbegaafdheid, maar ziet die term het liefst verdwijnen. “Je moet vooral kijken naar de behoeften van leerlingen op school, of ze nu een hoog IQ hebben of niet. Ieder kind heeft het recht elke dag iets te leren.”

Schaamte. Dat voelde Lianne Hoogeveen toen ze begin jaren 1990 met hoogbegaafde kinderen ging werken. Noem een vooroordeel over zulke kinderen en ze had het.

Hoogeveen was destijds met haar jonge gezin net terug uit Lima, waar ze als ontwikkelings­psycholoog met Peruviaanse kinderen uit de s­loppenwijken had gewerkt. Haar man sprak nog geen Nederlands, en er moest brood op de plank. Omdat in die periode niemand op een afgestudeerd psycholoog zat te wachten, benaderde Hoogeveen professor Franz Mönks, bij wie ze was afgestudeerd. Hij geldt in Nederland als grondlegger van het onderzoek naar hoogbegaafde kinderen, en hij had toen pas het Centrum voor Begaafdheidsonderzoek (CBO) opgericht – tegenwoordig CBO Talent Development. Hij bood haar een baan aan.

Bij het eerste behandelgesprek dat ze bijwoonde, was Hoogeveen met verstomming geslagen. “Ik zag een depressief kind en een moeder in tranen. Ik dacht dat ik, vergeleken met de ellende van de straatkinderen, bij geprivilegieerde, verwende kindjes van hoogopgeleide ouders zou terechtkomen. Al snel ontdekte ik dat ik al mijn vooroordelen overboord moest gooien.”

Ze bleef werken in het veld van hoogbegaafdheid, bestuurlijk, als onderzoeker en als docent voor studenten en leerkrachten.

Hoe definieert u hoogbegaafdheid?
“Niet. Daar ben ik overigens niet de enige in. Ik hoop dat we de term hoogbegaafdheid op termijn niet meer nodig zullen hebben, dat we alleen kijken naar behoeften van leerlingen op school en naar die van mensen op het werk. Niet dat ik tegen de term ben, maar ik probeer er zoveel mogelijk van weg te blijven. Want op het moment dat je iemand diagnosticeert als hoogbegaafd, diagnosticeer je anderen als niet hoogbegaafd. Het concept hoogbegaafdheid bestaat uiteraard, met een bijbehorende problematiek. In iedere schoolklas zitten leerlingen die niet passen in het geboden onderwijs. Niet omdat ze leer- of gedragsproblemen hebben, maar omdat ze sneller en complexer denken, en behoefte hebben aan onderwijs dat meer aansluit bij hun mogelijkheden.”

“School kan veel beschadigen voor hoogbegaafde kinderen. En natuurlijk vraag je dan wie die kinderen zijn. Dat weet ik niet altijd precies. Er zijn allerlei factoren die op elkaar ingrijpen en maken dat een leerling functioneert zoals hij functioneert. Dat geeft de complexiteit van hoogbegaafdheid aan.”

Ik zou denken dat hoogbegaafdheid inhoudt dat je hoog scoort op een intelligentietest.
“Niet noodzakelijk. De intelligentietest wordt weliswaar veel gebruikt en de IQ-score geeft zeker informatie, bijvoorbeeld hoe goed een kind het op school kan doen. Maar op die tests is wel een en ander aan te merken. Representeert de test echt wat het kind kan? Een intelligentietest wordt in een bepaalde omgeving afgenomen, door een bepaalde testleider, op een bepaalde dag waarop het kind zich al dan niet goed voelt. Het is dus een momentopname. Ik begeleidde eens een paar studenten die voor hun studie een kind moesten onderzoeken. Ze beschikten al over gegevens van het kind van een paar jaar eerder, waaronder een heel hoge IQ-score. Nu scoorde het kind gemiddeld. Waarop de studenten concludeerden dat het gemiddeld intelligent was. Wacht even, zei ik. Het kan best dat de testleider bij de eerste afname alles heeft voorgezegd, maar het grote verschil tussen de twee afnames betekent vooral dat je goed moet nadenken over de waarde en beperkingen van een IQ-test. Er is veel meer informatie vereist om in kaart te brengen waartoe een kind in staat is. Denk aan gedragsobservaties, gesprekken met zowel kind als ouders, interacties met leeftijdgenoten, met de klas. Dat vereist individueel maatwerk.”

'Waarom zou je een klas willen voor kinderen met een hoog IQ? Dat is even nutteloos als een klas voor roodharigen'
Maar is de kans groter dat, als een kind hoog scoort op een intelligentietest, het ook hoogbegaafd is?
“Dan probeer je het weer te definiëren. Is je definitie dat een hoogbegaafd kind een IQ van minstens 130 moet hebben? Prima! Maar dat is een beperkte definitie. Er zijn nog steeds klassen voor kinderen met een IQ van 130 en hoger. Waarom zou je zo’n klas willen? Van een klas met alleen kinderen met rood haar zie ik evenmin het nut in. Waarom zou je een kind met een IQ van 120 uitsluiten van zo’n aparte klas? De vraag moet altijd zijn: welk kind profiteert ervan? Voor welk kind is het beter deel uit te maken van die speciale klas in plaats van van de reguliere klas?”

“Natuurlijk is dat vaag. Daarom is het zo belangrijk dat er goede leerkrachten zijn die hierin een goede beslissing kunnen nemen en daar ook voor staan. Leerkrachten die weinig weten van hoog­begaafdheidsproblematiek gaan uit een soort wanhoop weleens mee met goedgebekte ouders die graag zien dat hun kind een klas overslaat. Zijn die ouders tenminste tevreden. Of scholen luisteren helemaal niet meer naar ouders, die zijn immers alleen maar vervelend. Daar is het kind de dupe van. Gelukkig zijn onderwijzers tegenwoordig beter toegerust om met hoogbegaafde kinderen om te gaan.”

Franz Mönks noemde brandkastenkraker Aage M. ooit als voorbeeld van een hoogbegaafd iemand. Heeft u typische voorbeelden van mensen die u hoogbegaafd vindt?
“Niet echt. Pas keek ik een aflevering van de documentaireserie Seven Up, waarin een groep Britten van jongs af aan is gevolgd en over wie om de zeven jaar een film wordt uitgebracht. Ik zag onder meer twee veertigers die op basis van hun beelden als jongens zouden passen in de doelgroep waarmee ik me bezighoud. De ene was professor geworden in Amerika, de andere was aan lager wal geraakt en aan de drugs. Op de een of andere manier pakte hun leven totaal anders uit, uiteraard onder invloed van hun omgeving en persoonlijkheid. In werkgroepen en bij lezingen toon ik weleens foto’s van mensen als Angela Merkel, Barack Obama, Frida Kahlo en Albert Einstein. Deze mensen zijn in elk geval getalenteerd, zeg ik dan, maar zijn ze ook hoogbegaafd? Dan zie ik menigeen fronsen. Zo’n oefening koppel ik met enige aarzeling aan zes bekende profielen van begaafde studenten uit de wetenschappelijke literatuur, zoals de autonome en zelfsturende student die zijn of haar passie volgt of de onderpresterende student. Hoogbegaafden vallen vrijwel altijd op, ze lopen buiten de gebaande paden. Het zijn zelden succesvolle aanpassers. Maar nogmaals, het liefst blijf ik weg van zulke typeringen.”

Wat is onderpresteren eigenlijk?
“Onderpresteren betekent dat iemand niet functioneert op het niveau waarop hij of zij zou kunnen functioneren – dat hij of zij daarin wordt belemmerd. Onderpresteren raakt de kern van de hoogbegaafdheidsproblematiek.”

Vereist dat niet dat je die mogelijkheden al eens hebt laten zien? Zijn wij niet allemaal onderpresteerders?
“Ik heb het vooral over schoolkinderen die bijvoorbeeld geen zin hebben om te leren, omdat hen nooit wat uitdagends aangeboden wordt. Het staat in de wet dat je moet leren, dat je je moet ontwikkelen. Daarom vind ik dat je niet te laissez-faire moet zijn met deze kinderen. Het is heel simpel om kinderen op school eens te óvervragen en te kijken wat er dan gebeurt. Zo kun je ontdekken wie er al langere tijd onderpresteert. Er zijn ook begaafde kinderen die zo graag bij de groep willen horen, bang zijn vrienden te verliezen, dat ze zich intellectueel minder voordoen dan ze zijn. Daar kan sociale angst aan ten grondslag liggen. Maar ook ouders, en dan vooral moeders die vroeger dezelfde problematiek hebben ervaren, temperen hun kinderen in het laten zien waartoe ze allemaal in staat zijn.”

Is onderpresteren vergelijkbaar met het fenomeen choking in de sport?
“Dat weet ik niet. Gaat choking niet meer over faalangst? Choking associeer ik toch meer met een moment, dat je bijvoorbeeld een penalty mist of een dubbele fout serveert op matchpoint. Onder­presteren is meer een langdurig proces.”

'Kinderen moeten niet alleen kennis opdoen. Ze moeten ook leren falen, leren doorzetten, leren plannen'
Hoogbegaafde kinderen zouden volgens de wetenschappelijke literatuur onder meer een sterk ontwikkeld rechtvaardigheidsgevoel hebben dat hen kan belemmeren. Heeft u daar een voorbeeld van?
“Ik behandelde ooit een tienjarig meisje. Het ging erom of we haar een klas moesten laten overslaan. Haar ouders twijfelden, want ze had zulke goede vriendinnen in de klas. Ik adviseerde positief, want ze bleek sociaal-emotioneel sterk ontwikkeld. Bovendien was ze wat lui, en versnellen zou haar beslist een boost geven. Het pakte aanvankelijk ook prima uit. Maar op haar vijftiende meldden haar ouders en het meisje zich weer. Moeder in tranen, vader boos. De dochter haatte de school en wilde in Afrika gaan wonen om daar de rest van haar leven te gaan wildwatervaren. Slim voelde ze zich al helemaal niet meer. Geleidelijk kwam ik achter haar probleem: ze zag wat er allemaal mis was in de wereld, en ze realiseerde zich dat zij al die problemen nooit zou kunnen oplossen. Dat hield ze voor haar omgeving verborgen. Dan maar weg van die wereld hier, en in Afrika niet meer nadenken over die problemen. Ik wees haar op het televisieprogramma Keuringsdienst van Waarde, dat een item had uitgezonden over slavenarbeid op cacaoplantages waar onze chocolade vandaan komt en dat aanleiding was voor de oprichting van het merk Tony’s Chocolonely, dat slaafvrije chocolade garandeert. Zo begon ze te beseffen dat ze net als die oprichters weliswaar niet alles kon veranderen, maar wel Íets. Ze besloot toch haar middelbare school af te maken. Jaren later mailde ze me dat ze haar master had gehaald en ook al een promotieplaats in de chemie had.”

Hoe ziet volgens u het ideale onderwijs voor hoogbegaafde leerlingen eruit? Is dat versneld onderwijs?
“Versnellen, zo blijkt uit de literatuur, is de meest gewaardeerde en positieve onderwijsaanpassing. Veel van de kinderen waarover ik het heb, voelen zich ook prettiger bij wat oudere kinderen. Maar versnellen is maar een deel van de oplossing. Of een kind een klas moet overslaan, is bovendien niet de juiste vraag. Die vraag moet altijd luiden: Wat heeft dit specifieke kind nodig en hoe kunnen we dat het beste bieden? Mijn ideale onderwijs is dan ook gepersonaliseerd onderwijs, en dan laat ik hoog­begaafdheid weg. Kinderen moeten allerlei expliciete kerndoelen halen. Maar we willen ook dat kinderen leren falen, leren doorzetten, leren plannen. En wat is daar nu, op dit moment, voor nodig? Ik weet hoe druk leerkrachten het hebben, maar het liefst zou ik zien dat ze zich elke dag de vraag stellen wat ze vandaag willen bereiken met hun kinderen. I­eder kind heeft het recht elke dag iets te leren.”





POLL: Wanneer moet er hulp worden ingezet bij bepaalde behoeften?